ONZE MEISJES
Speciaal voor alle liefhebbers van het Nederlands vrouwenvoetbal (en dat blijken er sinds afgelopen week erg veel te zijn) hierbij een fragment uit Het leukste jaar uit de geschiedenis van de mensheid (2002), dat eerder verscheen in Hard Gras (september 2001).

Ik hou van alle vrouwen, en dat is geen groot verdriet. Vrouwen zijn mijn lievelingsmensen. Het zal genetisch bepaald zijn en met hormonen, endorfinespiegels, overijverige neurotransmitters en op hol geslagen chemische processen te maken hebben: ik voel mij nu eenmaal het prettigst in de omgeving van vrouwen. Niet dat ik een hekel heb aan mannen, integendeel - sommige van mijn beste vrienden zijn mannen -, maar met vrouwen is het opmerkelijk aangenaam toeven. Iedere vrouw heeft iets speciaals; iedere vrouw is uniek; vrouwen ruiken lekker; vrouwen zijn fascinerend ongrijpbaar; vrouwen lachen unbeschreiblich weiblich; vrouwen zijn het glazuur op de taart; vrouwen zijn het cadeau van God aan de mensheid. Het enige probleem is: vrouwen kunnen niet voetballen. Althans, dat zeggen mijn vrienden.
Het daagt in het Oosten. Mascha keek gisteren weifelend toe hoe ik mijn spullen pakte, voor wat een van de mafste reizen van mijn leven zal worden.
‘Dus je gaat met achttien vrouwen de hort op?’ vroeg ze, omdat toen pas tot haar leek door te dringen wat mij te wachten staat. Ik mag inderdaad op uitnodiging van de KNVB met de Nationale Vrouwenselectie mee naar Praag voor een oefeninterland van Nederland tegen Tsjechië. Het is de eerste keer dat ik met achttien vrouwen op vakantie ga (overigens niet de eerste keer dat ik in de nabijheid van voetbalteam mag vertoeven, want in 1994 reisde ik voor Hard Gras in Amerika mee met een vrij onbeduidend Europees voetballandje dat tijdens de WK in de kwartfinale door Brazilië volkomen terecht werd uitgeschakeld).
Eerlijk gezegd heb ik geen flauw benul wat ik de komende dagen zal meemaken. ‘Ik ga naar de vrouwenvoetbalinterland Tjechië-Nederland’. Deze zin heb ik de voorgaande week tegen veel mensen uitgesproken. Veel van hen reageerden meesmuilend of zelfs sarcastisch. Een vriend zei: ‘Praag schijnt heel mooi te zijn.’ En een andere vriend gaf als tip: ‘Neem een boekje mee, dan heb je wat te doen tijdens de wedstrijd.’
Een uur later ontmoet ik mijn reisgenoten op Schiphol, waar de volledige ploeg zich heeft verzameld bij de incheckbalie. Het eerste wat me opvalt is dat ze nog zo jong zijn. Vrouwen zijn het, maar eerder meisjes. De gemiddelde leeftijd lijkt een jaar of twintig. Het tweede dat meteen duidelijk wordt: dit is geen amateurteam uit Meppel dat een toernooitje in Helden-Panningen gaat spelen. Het mogen dan wel meisjes zijn: dit is Hét Nederlands Elftal en dat stralen ze uit ook. Dit zijn topsporters. Er staan tientallen tassen en kisten klaar om te worden ingecheckt, er is een begeleidend medisch team bestaande uit een arts en een fysiotherapeut, er is een teammanager en ook reist er een hoge KNVB’er mee. Ad interim-bondscoach Andries Jonker (een man van mijn leeftijd met een gebruinde kop en een licht Amsterdams accent) ontvangt me opmerkelijk vriendelijk. Door de parade norse voetbalcoaches op tv (‘ben ik nou zo slim?’) was ik een beetje zenuwachtig over deze ontmoeting, maar Andries straalt meteen veel vertrouwen uit. Hij vraagt of wel eens vrouwenvoetbal heb gezien. Naar waarheid antwoord ik dat dit er de afgelopen vijfendertig jaar een beetje bij in is geschoten. Hij zegt: ‘Dan sul jij wat beleven.’
Voordat we het vliegtuig binnenstappen roept Andries de groep bij elkaar. Hij gaat naast me staan en stelt me voor. ‘Dit is een schrijver,’ gaat hij verder en hij laat een stilte vallen. ‘Dáár kan hij ook niets aan doen. Hij hoort vanaf nu bij de groep, want hij wil schrijven over het vrouwenvoetbal. Hij heeft ons nog nooit zien spelen en weet niet wat hij moet verwachten. Als ik naar hem kijk denk ik dat hij toch wat vooroordelen heeft over het vrouwenvoetbal, en dat geeft niet. Laten wij hem deze dagen met z’n allen tonen hoe goed jullie zijn.’
Na zijn speech kijken we hoe de meisjes de spullen inladen. Andries legt uit dat het niveau van het Nederlands vrouwenvoetbal nog nooit zo hoog is geweest: ‘Hier voetballen allemaal meisjes die vanaf hun vijfde in jongenscompetities hebben gespeeld en daar gemakkelijk meekonden. Zoals je een paar jaar geleden de lichting Kluivert, Seedorf en Davids had, zo hebben wij nu deze ploeg. Dit team is tot heel veel in staat. Ik denk dat dit elftal in principe ieder ander vrouwenelftal kan verslaan. En ook heel veel mannenteams.’
In het vliegtuig krijg ik van teamarts Alfons de Kort een korte stoomcursus vrouwenvoetbal voor mannen. Saestum uit Zeist en Ter Leede uit Sassenheim zijn het Ajax en Feyenoord van de nationale competitie. Sarina Wiegman (31, type Blind), Shirley Smith (21, type John van ‘t Schip, maar dan beter), Sandra Muller (21, type Kluivert anno 2001), Daphne Koster (20, type Stam, maar met meer haar), Jeanet van der Laan (21, type Bosveld), Gilanne Louwaars (20, type Davids, maar dan liever) en Annemieke Griffioen (21, type combinatie Jonk & Bergkamp, maar dan knapper) zijn enkele van de grote namen en dit is slechts een kleine greep. Voor de meeste meisjes geldt dat ze zo in de hoogste mannencompetities zouden meekunnen, en een speelster als Daphne Koster (volgens de Amerikaanse bondscoach world class) zou zich zelfs in de hoogste mannen-amateurdivisie met gemak staande kunnen houden. De meeste speelsters trainen vijf keer per week. Sommige meisjes voetballen in het buitenland, want Amerika heeft een profcompetitie en Duitsland een semi-prof. In Amerika kun je als vrouw met voetbal miljonair worden. Terwijl de teamarts me overvoert met informatie kijk ik om me heen naar de meisjes van Oranje. Zonder dat ze ook maar één bal hebben getrapt, begin ik me een beetje te schamen voor het vooroordeel van mijn vrienden. Om het goed te maken deel ik aan een paar meisjes om me heen pottertjes uit, maar niet dan nadat we van de teamarts de geruststelling hebben gehad dat daar geen nandrolon in zit.
Praag
Natuurlijk blijkt er na aankomst dat er enkele tassen en andere benodigdheden missen, wat het team regelmatig overkomt. Omdat de ploeg veel spullen meesleept, zijn er veel karretjes nodig. Ik maak me nuttig voor de groep, door onze weinige lege bagagewagentjes te beschermen met mijn leven. Nadat een oudere Tsjechische mevrouw een aanval heeft gedaan op een van onze vijftien wagens en ik haar met de dreiging van een kopstoot heb weggejaagd, meldt Andries me: ‘Ik merk dat je je al inzet voor de groep. Dat waarderen de meisjes wel.’
Met een forse vertraging komen we aan bij het spelershotel. Heel vermakelijk: de Tsjechische Bond heeft ons ondergebracht in een voormalig communistisch sportcomplex op twee uur rijden van Praag, een soort Papendal voor sportieve parteigenossen. Het heet Nyburg en in de jaren zestig moet dit het fort zijn geweest van waaruit Tsjecho-Slowakije het kapitalistische westen in alle takken van sport bestreed. Heden ten dage maakt het complex een verlepte indruk. De overheersende kleuren oranje, bruin en onbestemd vaal zijn sinds de hoogtijdagen van de Koude Oorlog niet meer bijgeschilderd, de allesdoordringende geur is die van Oostblokse armoede. Volgens een van de meisjes zou het een geinig bacteriologisch onderzoek zijn om te tellen hoeveel verschillende levensvormen de vette stoelen in de gezamenlijke ruimte bevatten. Aan de muren hangen verweerde foto’s van Tsjechische topsporters. Bij de receptiebalie staat een enorme kast met bekers. Teamarts Alfons zegt: ‘Ze hadden volgens mij beter een medicijnkast kunnen ophangen.’
We worden ondergebracht in kamertjes ter grootte van een eenpersoonsbed, een stoel en een douche. Ik vind dit (als reisschrijver) een geweldig spookachtige locatie, maar de leiding is minder tevreden, helemaal wanneer blijkt dat het voetbalstadion waar de wedstrijd wordt gespeeld hier minimaal op anderhalf uur rijden vandaan ligt. Teammanager Miriam Hickey, zelf oud-international en de Penny de Jager van de groep, moppert op de Tsjechische Bond: ‘Wat een hotel, zeg. Als hun ploeg ooit naar Nederland komt, zetten we ze in een hotel in Sittard en laten we ze spelen in Leeuwarden.’
Nadat we onze spullen op de kamers hebben gelegd wordt er geluncht in de kantine. Deze kantine is met voorsprong de meest ongezellige eetzaal in de geschiedenis van de mensheid. Er hangen borden die aangeven dat er niet gevoetbald mag worden in de zaal, maar niemand zou op het idee komen, want alle levensvreugd vergaat je na één blik op de troosteloze tafels. Bij een vitrine voor de gaarkeuken halen we broodjes belegd met een substantie die met kip te maken zou kunnen hebben. De teamarts waarschuwt geen kraanwater te drinken en dus het aangelengde sap te laten staan. De meisjes eten een beetje beduusd hun verlate lunch. Ik hoor Dyanne Bito (20, type Babangida), Cindy Burger (21, type Wilfried Bouma) en Willemijn Lodder (29, type Ferry de Haan) uit over hun voorbereiding voor de naderende interland. Op Texel hebben ze net een trainingskamp gehad, en er ook een wedstrijd tegen een Texels mannenteam gespeeld, die ze verloren met 1-2. Ik vraag welke klasse de mannen speelden.
‘Achtste klasse,’ antwoordt Willemijn.
‘Achtste klasse?’ zeg ik verbaasd, terwijl iets van mijn vooroordeel terugkomt. ‘We waren echt veel en veel beter, maar we vergaten te scoren.’
Na de lunch benoemt Andries mij officieel tot ‘KNVB-veldinspecteur’. Miriam Hickey geeft me uit de enorme voorraad kleding een oranje trainingsset, en terwijl de meisjes zich omkleden, krachtrepen eten en zich laten intapen, verkent het begeleidingsteam het oefengras (dat er nog niet eens zo vreselijk slecht bijligt). Een half uur later maakt het team zich klaar om naar het veld te gaan. Ik ben verbaasd over de hoeveelheid kisten, bakken water en ballen die mee moeten. Linksbuiten Shirley Smith, die net als ik nog bij EBOH in Dordrecht heeft gevoetbald, vraagt waarom ik geen voetbalschoenen aanheb.
‘Je oefent toch wel met ons mee?’ wil Miranda Noom (28, type Tomek Iwan) weten.
Een beetje naar waarheid antwoord ik dat ik geen voetbalschoenen bij me heb - omdat de volledige waarheid is dat ik überhaupt geen kicksen bezit -, maar Jody Poldervaart (18, type Wouters) zegt dat de sportwinkel in het complex hier voetbalschoenen verkoopt. Ik loop naar deze winkel, die helaas is gesloten. Hè, jammer zeg.
En wat er dan gebeurt wordt in mijn persoonlijke geschiedenisboek opgeslagen onder de noemer ‘een pijnlijk moment’. Gezamenlijk wandelen we met z’n allen naar het trainingsveld. Voordat de eigenlijke training begint, leggen de meisjes gedisciplineerd allerlei spullen klaar en daarna dollen ze wat met een bal. Ik zie dat begeleider, teamarts Alfons, KNVB-bons en fysiotherapeut hun noppen aanhebben en vrolijk een balletje trappen. Het gesprekje met Miranda en Jody over de vraag waarom ik niet meespeel, heeft het verlangen bij mij los gemaakt inderdaad met deze meiden mee te voetballen.
Dan - ik vraag me af waarom ik dit eigenlijk opbiecht - komt er een bal in mijn richting rollen. Met mijn gewone schoenen trap ik de bal naar Miriam, die vervolgens een beetje pesterig dreigend met de bal aan haar voet op me af komt dribbelen. O, willen we testen of ik überhaupt kan voetballen? Ik heb zes jaar bij EBOH gespeeld en later in het schoolteam, dus een teambegeleidster van een vrouwenelftal kan ik heus nog wel hebben. Met mijn handen gebaar ik naar Miriam dat ze me mag komen passeren als het haar lukt. Dit had ik beter niet kunnen doen. Een seconde later heeft ze gepoort, en vier seconden later nog een keer van de andere kant. Een aantal meisjes staat er hoofdschuddend van het lachen naar te kijken. Ik besluit ter plekke dat het geen goed idee als ik straks voetbalschoenen koop, ook al zijn die hier nog zo goedkoop.
Een jeugdherinnering. Bij EBOH had mijn elftal, B28, een coach van wie ik mij maar één technische aanwijzing, één oppeppend praatje, één algemeen resumé herinner, namelijk de zin: ‘Jóngens, schrééuw toch niet altijd zo.’ Dit staat haaks op de speech die Andries de meisjes geeft. Allemaal zitten ze in een kring om hem heen en hij vertelt over de weg die het vrouwenvoetbal aflegt, over Papendal en over nederigheid. Ik krijg stante pede waardering voor het vak van trainer/coach.
Hierna begint de training en krijg ik eindelijk de gelegenheid het niveau van het vrouwenvoetbal te peilen. Ik weet niet hoe lang het predicatieve bijvoeglijke naamwoord paf kan duren in de combinatie ‘paf staan’, maar zeker een half uur kijk ik met paffe verbazing naar de technische hoogstandjes, de loeiharde schoten op doel, de loepzuivere voorzetten en de gretigheid. Werkelijk waar, ik zie wel eens flarden van mannentrainingen op tv, ik heb trainingen van FC Utrecht en Feyenoord bijgewoond, maar ik zie weinig verschil tussen het hedendaagse vrouwen- en het hedendaagse mannenvoetbal. Goed, er wordt wat minder hard gelopen en iets scheller gegild, maar het voetbal is niet wezenlijk anders (wat dat betreft lijkt het op het verschil tussen mannen- en vrouwentennis of mannen- en vrouwenvolleybal).
Het diner
Bestaat uit aardappelen met een substantie die met gemalen dieren te maken zou kunnen hebben, en als we dit hebben overleefd, benoemt Andries mij officieel tot ‘KNVB-wandelrouteuitstippelaar’. Volgens een ideaal trainingsschema moet er vanavond nog een uur worden gewandeld, legt hij uit. Hij roept me voor de groep en vraagt of het lukt om een wandeling van precies een uur uit te stippelen in de omgeving van het sportcentrum. ‘Maar niet langer!’ zegt hij dreigend.
Natuurlijk lukt me dat. Wat is er simpeler dan een wandeling van precies een uur uit te zetten? Monter neem ik het voortouw en wandel ik in de richting van het nabijgelegen bos. De meisjes en begeleiders lopen achter me aan. Dat was dus vijfenveertig minuten voordat ik toegaf dat we verdwaald waren. We hebben ‘de omgeving goed verkend’. Op een gegeven moment vraag ik, een beetje zachtjes, aan Martine van Pelt (22, eerste keepster, type Westerveld) of zij mij de richting van het hotel kan aanwijzen. Zij wijst naar links. Marloes de Boer (18, supertalent, ook wel genoemd ‘de witte Henk Fräser’) wijst echter naar rechts. Ook de andere meisjes bemoeien zich ermee. Een Tsjechische omstander (handlanger van de Tsjechische voetbalbond) zorgt ervoor dat we via een enorme omweg meer dan een half uur te laat weer terug in complex Nyburg zijn. Er wordt plagerig geroepen dat als de meisjes hun wedstrijd tegen de Tsjechen verliezen dat mijn schuld is. Om het goed te maken trakteer ik op kosten van Hard Gras het hele team op een rondje in de bar van het hotel (fl. 18,75). Later legt Andries me uit dat hij hoopte dat ik niet precies binnen het uur binnen zou zijn.
‘Dat heeft met teambuilding te maken. Door jou een beetje te plagen, wordt de groep sterker,’ zegt hij, waarna hij me officieel benoemd tot ‘KNVB-groepsbandbevorderaar’.
Woensdag 13 juni
De nacht was koud en de dekens dun en klein, maar toch heeft iedereen goed geslapen. Bij het ontbijt wordt er gezongen voor de jarige teamarts Alfons (leuke anekdote: in de Telegraaf stond eens een grote actiefoto van het Nederlands Vrouwenvoetbalelftal, die genomen was tijdens een oefenpartij. Om de teams compleet te maken had Alfons meegevoetbald en uiteraard stond hij pontificaat op die foto. Het bijschrift meldde: ‘Enkele speelsters van het Nederlands team…’).
Het programma voor vandaag is simpel: we trainen twee keer en verder rusten we uit (terwijl elftalbegeleidster Miriam uitzoekt waar we morgen nu eigenlijk precies moeten spelen, want dat heeft de Tsjechische Bond nog steeds niet laten weten). Omdat we van het hotel niet meer mogen oefenen op het goede veld van gisteren, wijken we uit naar een noodveld in de buurt. Daar aangekomen zien we iets dat in de internationale voetbalwereld vrij ongebruikelijk is: de tegenstander. De Tsjechische voetbalsters zijn op hetzelfde veld aan het trainen. Omdat het veld groot genoeg is voor twee teams, geeft Andries de opdracht ons er niets van aan te trekken en gewoon door te lopen. Een mooi psychologisch moment, want het lijkt mij of de wedstrijd nu al begonnen is. Dit zijn niet zomaar twee ploegen die toevallig naast elkaar trainen, dit zijn elkaars opponenten. De Tsjechische meiden zijn brutaler dan de Hollandse, en ongegeneerd bekijken ze de warming up van Oranje (een perfect rondo’tje met het medisch team in het midden). Er worden meisjes uit ons kamp gewogen en aangewezen. Om deze psychologische oorlogsvoering te pareren, pak ik mijn aantekenblokje en stel me op tussen de beide teams, met mijn boze gezicht naar de Tsjechen toe. Wat meteen duidelijk is: qua techniek kunnen we ze makkelijk hebben, want echt heel vaardig zijn ze niet. Hun passes zijn slap en hun schoten op doel stellen niets voor. En de Nederlandse meisjes zijn fysiek veel knapper dan dit Tsjechische zooitje criminele manwijven, maar goed, dat telt niet.
Als de Tsjechen zijn verdwenen loopt Andries naar me toen. Hij komt naast me staan maar zegt niets. Ik zie dat veel meisjes afwachtend naar ons kijken.
‘Meneer Gip… Hart…’ zegt hij duidelijk voor iedereen verstaanbaar. Hij legt een arm om me heen en wacht even met zijn vervolg.
‘Ik krijg signalen uit de groep…’ gaat hij verder, naar de grond kijkend en lucht inademend. ‘…dat uw gulp openstaat.’
Nadat hij dit heeft gezegd, schateren hij en de groep het uit. Ik kijk naar beneden. Het is inderdaad nogal een lullig gezicht. De meisjes komen niet bij van het lachen. Blij dat mijn gulp de teambuilding van het Nederlands vrouwenteam bevordert.
Bij de lunch krijgt teamarts Alfons van de ploeg een fles aftershave van het merk Puma cadeau, die omdat hij al jaren hardnekkig enorm lelijke Puma-schoenen draagt.
‘Een hint,’ roept Nicole Delies (21, type Kieft) over tafel aan Alfons. We krijgen het over een aftershave genaamd Ajax en Lisette Tromp (17, type Arjan Robbe) vraagt zich af of er ook een markt zou zijn voor een aftershave die FC Groningen heet.
Na lunch volgt ‘het taartincident’. Om de verjaardag van Alfons te vieren heeft Miriam bij de gaarkeuken een taart besteld. Inderdaad staat er bij het uitgifteluik van de moedeloosmakende kantine een soort cake die met een beetje goede wil voor taart zou kunnen doorgaan. We snijden hem aan en vieren nogmaals Alfons verjaardag. Als iedereen min of meer voldaan is, begint een Tsjechische mevrouw vanuit het afgifteluik naar ons te roepen. Andries loopt er heen en ziet twee heerlijk ogende geglazuurde chocoladetaarten klaar staan. Na wat Babylonisch gekrakeel blijkt dat we (per ongeluk! per ongeluk!) de cake van het Tsjechische team hebben opgegeten. Onze bijdrage aan de intimidatieoorlog.
‘s Avonds
Vlak voor de wedstrijdbespreking, vertelt Hanneke Mensink (24, type Hofland) dat ze lastig gevallen is door enkele Tunesische sporters die ook in dit hotel verblijven. Ze wilden een afspraak met haar maken, en later is ze op haar kamer gebeld door een hitsige Tunesiër. Andries zegt dat hij de zaak zal oplossen, en dit doet hij meteen bij de nazit in de bar (met voorsprong de ongezelligste bar in de geschiedenis van de mensheid). Wij praten over het Australische voetbalteam dat zich ter promotie van hun sport gezamenlijk naakt had laten fotograferen (wat ik voor Hard Gras ook voorstel, maar dat zien ze toch niet zo zitten), totdat het Tunesische mannenteam de bar binnenkomt. Het zijn ijshockeyers of worstelaars, of in ieder geval mannen die voor een flinke kloppartij of moordaanslag niet terugdeinzen. Andries trekt zich hier niets van aan en loopt onmiddellijk op de coach af. In helder Engels maakt hij duidelijk dat de Tunesiërs in grote problemen komen wanneer ze ooit nog een Nederlands meisje durven aan te kijken. De Tunesische knulletjes zitten er als betrapte schooljongens bij. De teambuilding bij onze meisjes rijst tot grote hoogten.
14 juni, donderdag
Vijf uur voor de Interland word ik tijdens de laatste training door Andries officieel benoemd tot ‘KNVB-levende pion’. In een bepaalde spelsituatie moet ik als zogenaamde verdediger in het speelveld staan om het geheel realistischer te maken. De ballen vliegen me om oren. Nicole Delies poeiert een bal keihard achter Bianca van Dalen (18, tweede keepster, type Gino Coutinho). Deze pegel geeft me veel vertrouwen voor de wedstrijd van vanmiddag. Inmiddels weten we waar Tsjechië tegen Nizozemí (Nederland) zal spelen: in het kleine stadion van Atlantic AFK in een plaats met veel medeklinkers. Ik zie een spanning bij de meisjes die ik nog niet eerder zag. Zonder al teveel te zeggen nemen ze plaats in de bus, voor de anderhalf uur durende reis door donker-Tsjechië. Mijn verwantschap met dit team gaat al zover dat ook ik erg zenuwachtig ben.
Locatie: de kleedkamer. Decoratie: druiven, chocola, scheenbeschermers, kleren. Geur: spiersmeersels en gemaaid gras. Tijd: vlak voor de wedstrijd.
Andries spreekt ze nog eenmaal toe. Hij waarschuwt het team: ‘Jullie zijn veel en veel beter. Kijk naar hun warming up en je ziet meteen: deze Tsjechische meisjes zijn straatvechters. Wij voetballen zoals het ooit bedoeld is, technisch perfect, en met tactisch vernuft. Maar… Dat is niet genoeg. We moeten winnen. Winnen is het enige dat telt. De Tsjechen willen winnen en wij moeten ook winnen. En dus gaan we knokken. Dat bedoel ik letterlijk. Fysiek knokken. Probeer van je af te bijten.’ Als laatste aanwijzing geeft hij: ‘Ga niet te gretig van start. Probeer niet meteen te laten zien hoe goed je kunt voetballen. Niet meteen alle ballen op hun keeper schieten. Probeer slim te zijn.’
Jan, Miriam en ik zijn de enige Nederlanders tussen tweeduizend aanhangers van Tsjechië. Voor het eerst van mijn leven zing ik luid het Wilhelmus mee en ik applaudisseer hard bij het omroepen van de Nederlandse namen. Ik schal over het veld: ‘Nizozemí! Nizozemí!’ De wedstrijd begint en het is bijna niet te geloven, maar Nizozemí trapt in de val die Andries zojuist heeft geschetst. Als bezetenen gaan ze van start. Shirley Smith pegelt op doel, Sandra Muller probeert een doelpunt te forceren, Sarina Wiegman geeft twee voorzetten en dan gebeurt het onwaarschijnlijke: een counter van Tsjechië levert al in de zesde minuut een doelpunt op. 1-0 voor de thuisploeg. Vanaf de kant sta ik verbijsterd toe te kijken. Ik hoor Sarina roepen: ‘Niets aan de hand, we zijn veel beter.’
Dat zijn we inderdaad en Oranje voert de aanvalsmotor op. Dyanno Bito passeert haar tegenstandster regelmatig en ook Gilanne Louwaars wint haar duels, maar in de dertiende minuut komen de Tsjechen via alweer een counter en een daaruit voortvloeiende corner voor de derde keer deze wedstrijd aan de bal: 2-0.
Het publiek op de tribune juicht uitgelaten, alsof we het over iets belangrijkers dan een oefeninterland hebben. En ik kom erachter dat het arbitrale trio geheel Tsjechisch is, en het begrip thuisfluiten een nieuwe betekenis probeert te geven. Het is werkelijk niet te geloven zo partijdig de (vrouwelijke) scheidsrechter is. Vanaf de kant begint mijn woede toe te nemen. Aanvankelijk moedig de meisjes aan (en dan met name Shirley Smith, de Marc Overmars van het Nederlandse voetbal), maar dan begin ik mijn verbale pijlen op de wedstrijdleiding te richten. ‘Hey referree, you stupid cunt! You’ve got shit in your eyes,’ hoor ik mezelf als de eerste de beste ouder bij het jeugdvoetbal roepen. Op de tribune spreekt niemand blijkbaar Engels, want alle Tsjechen blijven me vriendelijk toe glimlachen (ze staan voor, geef ze eens ongelijk).
In de pauze scherpt Andries zijn tactiek aan en dit heeft als resultaat dat de Tsjechen nu werkelijk van het veld verdwijnen. Sarina Wiegman schiet loeihard op doel, Hanneke Mensink kopt maar net naast, Marloes de Boer maakt haar debuut (later zou ze hiervoor het wedstrijdvaantje krijgen), maar steeds lukt het net niet om te scoren.
Als de scheidsrechter affluit juicht de Tsjechische tribune en beginnen de straatvechters aan een ereronde. Andries roept het verslagen Nederlandse team bij zich. De ontreddering is groot. Er wordt gehuild en niet getroost.
‘We hebben nu vijf, zes wedstrijden van andere teams gewonnen,’ spreekt Andries onze meisjes toe, ‘op zich is niet verkeerd dat we nu weer eens met beide benen op de grond komen. Ons probleem vandaag was toch dat we niet genoeg hebben geknokt. Dat is misschien iets Nederlands: als er niets echt op het spel staat, voetballen we minder.’ Somber lopen de meisjes uit.
Later in de bus terug naar de feestmaaltijd in Nyburg zegt Andries dat hij het zo verschrikkelijk jammer vindt dat Oranje de wedstrijd niet won. ‘Dat zou voor jouw verhaal veel beter zijn,’ stelt hij vast. Dan vraagt hij of ik toch een beetje overtuigd ben geraakt van het niveau van het vrouwenvoetbal. Naar waarheid antwoord ik dat ik de afgelopen dagen een groot fan van het Nederlandse vrouwenteam ben geworden. Voetbal zoals de schepper het heeft bedoeld.





