terug naar het weblog > 09 maart 2010

TITAANTJES (WIJ WETEN HET óóK NIET)

Fragment uit Giph, uit het hoofdstuk 'Nooit meer Amsterdam'. Hoofdpersoon Giph is binnengekomen op het Boekenbal.

 

Traditiegetrouw kent het Boekenbal twee gedeelten. Het eerste is een zaalprogramma met literair amusement, dat alleen toegankelijk is voor de echte boekenbonzen (boebo’s), de mensen die het allemaal betalen (en trouwens ook verdienen). Het tweede gedeelte is het eigenlijke Bal, als schoorvoetend het gepeupel ook wordt toegelaten. Er zijn (voor zover ik erover kan meepraten natuurlijk) altijd twee dansgelegenheden (een grote zaal met muziek voor en van overleden mensen, en een kleinere, veel drukkere discozaal), talloze barzalen, foyerzalen, hoekjeszalen, terugtrekzalen, aftrekzalen, en heel, heel veel ludieke acties. Om moedeloos van te worden, zoveel ludieke acties de organisatie toch ieder jaar weer weet te bedenken. Haringkarren, poppenkasten, casinotafels, fotostudio’s, rolstoelraces, limbodansers, recensenten; alleen een goede pornoshow ontbreekt nog in het rijtje. En ieder jaar weer: verklede mensen. Verklede volwassen mensen. Straattheater. Dit jaar symboliseerden de verklede mensen het thema van de Boekenweek: reizen. (Ook al zo’n complot: de Boekenweek.) We stonden in de foyer te wachten tot de grote zaal open zou gaan en de elite zich zou mengen met het voetvolk, terwijl we ondertussen werden beziggehouden door een amateuristisch wauweltrio en tientallen schreeuwende, met koffers zeulende, bijbeunhazen de uitkeringstrekkers. Toneelspelers. Mensen die hopen intellectueel gevonden te worden door zo opzichtig mogelijk prolurken na te doen. Ik schaamde me. En helemaal voor de omstanders die deze onzin volgden, en elkaar zo nu en dan genietend aankeken. Genietend... Wat een rotwereld is dit toch... 

Zo’n Boekenbal is mij al met al te Amsterdam, te interessant, te ingroep, te ons kent ons. Freanne raakten we al snel kwijt, en dat was maar goed ook want ik begon me aardig te ergeren aan haar geháái, gehoeïzzettermee, gedagschat, en het daarbij behorende gelebber en gebef. 

Het leuke van een Boekenbal is dat weinigen iets van literatuur weten, en nog leuker is dat niemand gevoel voor humor heeft. Al met al de reden waarom het Bal voor ons dus echt het uitje van het jaar is. Wanprestatie van de organisatie? Geen nood: wij maken ons eigen straattheater. Meestal stellen twee van ons zich ergens op tussen de opgedirkte mevrouwen en meneren, en komt de derde hijgend aanlopen, roepend dat hij net Simon Vestdijk zag. ‘Bij de bar.’ Oprecht veinzen Frans Kellendonk te hebben gezien doet het ook heel leuk, maar echt gillen is het pas als iemand Jan Siebelink heeft ontdekt op de dansvloer. ‘Siebelink? Ik dacht die dood was.’ Ook heel leuk is naar een totaal onbekend iemand toestappen en zeggen: ‘Hallo, ik ben een erg groot bewonderaar van uw werk.’ Of naast Cees Nooteboom: ‘Nou, weer geen bekende schrijver te zien.’ Of achter J.P. Guépin (verzuchtend): ‘Hè, leefde J.P. Guépin nog maar...’ 

Het leuke aan dit soort opmerkingen is dat helemaal niemand ze leuk vindt. Denk je dat er iemand moet lachen als Thijm aan een mevrouw vraagt: ‘Heeft u het wel eens op een Boekenbal gedaan?’ Niemand dus. Hooguit kijken mensen je boos aan als je het over Frans Kellendonk hebt. Over dode mensen mag je namelijk geen grappen maken. Iedereen weet dat hij dood is, iedereen weet waaraan hij is overleden, maar een geinige boutade om je eigen angsten een beetje te bezweren (omdat je zelf ook heus wel eens een keer zonder condoom in je reet bent genaaid), en het volk begint te morren. John Cleese op de begrafenisplechtigheid van Graham Chapman, tegen de rouwende nabestaanden: ‘Fuck, ik ben eerlijk gezegd blij dat deze rotzak dood is.’ 

Maar waar lachten de mensen dan wel om, zul je je afvragen. Lachten ze überhaupt? Jawel hoor. De mensen lachten toen Bas Heijne in een kring stond te vertellen over zijn roman Suez, die maar niet wil verschijnen, noch bij Bert Bakker, noch bij Snackbar Proleethuis. En waarmee kreeg Bas de mensen dan wel op hun knieën van het lachen (de mensen moesten sowieso al bukken om hem te kunnen volgen)? Bas kreeg de mensen in een ultieme lachberoerte met de megakraker: ‘Ja mensen, het is wel een beetje een Suez-crisis.’ Godverdegodverdomme. Een Suez-crisis. Hoe verzin je het? Ja mensen, daar word ik dus niet vrolijker van, van zo’n opmerking. Jezus Christus, en van dat stomme gegrinnik erom nog minder. 

De muziek, ook zoiets. Gedrieën stapten we niets vermoedend de discozaal (‘De Grote Foyer’) binnen, en wat we hoorden was een onheilspellend ‘ieoewieieeeoejeah!’ dat uit de boxen schalde. Op de uitnodiging stond dat de gasten een optreden konden verwachten van uitgever/deejay Vic van de Reijt. Dat voorspelde niet veel goeds. De naam Vic van de Reijt heeft bij ons een slechte klank, wat komt doordat hij het lef heeft gehad tegen Jeroen Brouwers te fulmineren. Het is een bijna niet te genezen besmetting dat we de mensen die ooit eens door Brouwers ‘polemisch van de schrijftafel zijn geveegd’ niet of nauwelijks meer serieus kunnen nemen. Het lezen (laat staan het waarderen) van een schrijver (criticus, uitgever, deejay) die Brouwers niet zinde, kwam neer op een daad van insubordinatie. Ik heb jarenlang geen stukken van Kousbroek kunnen lezen, omdat Brouwers een pennenstrijd met hem voerde. Inmiddels ben ik aardig hersteld van deze zelfgekozen hersenspoeling. Brouwers meningen zijn niet meer voorgeschreven wet, maar helemaal kwijtraken zal ik Brouwers waarschijnlijk nooit. Ik kan bij voorbeeld geen recensie van Reinjan Mulder lezen zonder er ongemerkt ‘affreus baasje’ bij te denken, en nooit heb ik de drang gehad Kooiman of Matsier te lezen. Idem dito uitgever,’deejay Vic van de Reijt. Mijn siamese tweelingvriendjes Monk en Thijm zijn nog steeds vrij hard in de leer: zij vonden in de trein al dat Van de Reijt slechte muziek draaide, ik was daarentegen wat milder. Ik gun zo iemand tegenwoordig het voordeel van de twijfel.


ieoewieieeeoejeah!

 

Ik wil niet zielig doen, maar het was een schok. ‘Er ging iets kapot.’ ‘Plotseling merk je dat je volwassen bent.’ Monk, Thijm en ik stonden in de opening van de discozaal (bij een hekje) en we keken gelaten om ons heen. We zagen de crème de la crème van de Nederlandstalige literatuur, bijna alle cultuurdragers van het land, vrijwel de gehele intelligentsia, de minister van Cultuur, de staatssecretaris van Volksgezondheid, de zanger van Roberto Jacketti and The Scooters, we zagen een ongekende samenballing van geestkracht en eruditie, een enorm artistiek en creatief potentieel, we zagen de toekomstige geschiedenismakers, we voelden aan Denkend Nederlands neusje van de zalm, we zagen contemplatieve ja zelfs ascetische kunstminnaars, we zagen de allergrootste schrijvers van het land (Afth, de Zwagermandarijnen, Ponny Kammen), de allerbevlogenste uitgevers (...), de allerbeste boekverkopers (...) – en letterlijk iedereen, maar dan ook iedereen, liet zich ongegeneerd, volkomen belachelijk en mensonterend gaan op de muziek van de schuimbekkende uitgever/deejay Vic van de Reijt: ‘Rockin’ Billy’ van Ria Valk. Het schaamrood bekroop langzaam onze kaken. ‘Rockin’ Billy’ van Ria Valk. De Nederlandse literatuur in een notendop: overdag metaforen peuren, en structuuranalyses, en dieptelagen, en het is pas goed als het moeilijk en onbegrijpelijk is; en ’s avonds je laten gaan op ‘Rockin’ Billy’ van Ria Valk. En Jezus, wat voelde de uitgever/deejay de sfeer op de dansvloer aan (‘ieoewieieeeoejeah!’)... en wij ons terstond klote.

 

We konden het echt niet aanzien, en we draaiden ons om. Weg van hier. Droevig en doelloos dwaalden we daarna door de gangen, voortdurend bekende Nederlanders filmende televisieploegen ontwijkend. Ergens op de gang deed Monk verveeld een deur open. Er bleek een loge van de Grote Zaal achter te liggen en stiekem glipten we de naar binnen. We bleken de enigen; drie kleine kleutertjes in een grote verlaten zaal. Nou ja, verlaten. Beneden op het podium en backstage (alle doeken waren opgetrokken) werd gefeest; er was een lange bar, een djaazzband speelde Anneke Gränloh-achtige begrafenismuziek en de opa’s en oma’s van het boekenvak gingen in slow motion helemaal door het lint. Stilletjes keken we naar de dansende en drinkende mensen. Het was ons privé-toneelstuk, zeg maar, ons eigen literatuurtheater. Gelaten lieten we het over ons heenkomen. 

‘Koekebakkers,’ zei ik, ‘over vijf jaar dansen we op “Rockin’ Billy”, en over tien jaar op dat podium.’  ‘Ik ben er bang voor,’ zei Monk, ‘ik ben er bang voor.’ ‘Het zou kinderachtig zijn als we nu en hier zouden afspreken, dat we zo niet worden,’ zei Thijm en hij wees naar het boekvolk. Ik knikte. Monk zei: ‘Dat zou kinderachtig zijn.’ Op het podium kondigde een opa aan dat het volgende nummer speciaal voor iemand werd gespeeld. Ik geloof dat het voor Remco Campert was. ‘Dat zou kinderachtig zijn,’ zei Monk nog een keer.  Ik stelde voor om het gewoon toch te doen.  ‘Wat?’ 

‘Dat afspreken. Onze rechterhanden op elkaar te leggen en plechtig te zweren dat we nooit op “Rockin’ Billy” zullen dansen, nooit op djaazz, nooit op Anneke Grönloh, en dat we nooit zó worden.’

 

Monk en Thijm zwegen.

 

‘Het is kinderachtig,’ zei ik, mijn hand uitstekend, ‘maar het is in ieder geval wat. Het is een daad.’  Thijm legde zijn hand op mijn hand. 

Monk zei zuchtend: ‘Ik weet het niet.’ Hij aarzelde en keek naar het podium. ‘Ik weet het niet.’

 

En dat vond ik misschien wel het mooist van de hele avond, dat Monk dat zuchtte, ik zei: ‘Ik dacht dattie dood was,’ en we elkaar daarna grinnikend en begrijpend aankeken. Thijm schreeuwde naar het podium: ‘Hé, Grönloh, wij weten het óók niet.’ Monk legde zijn hand op onze handen, en door de lege zaal schreeuwden we het gedrieën naar alle feestvierders: ‘Wij weten het óók niet.’ Daarna zwoeren we dat we inderdaad nooit zo zouden worden.  Aan de hele scène kwam een einde toen een journaalploeg onze loge ontdekte en een mooi shot zag in de drie eenzame jongens die keken naar het woelige feest. Televisie verpest altijd alles.