CREATORE DI GHIACCIO
Een jaar of vier geleden werd ik op een promotietour in Italië een paar avonden achter elkaar geïnterviewd voor lezers. Het kwam erop neer dat ik publiekelijk verantwoording moest afleggen over ons Nederlandse prostitutie-, euthanasie- en drugsbeleid (in relatie tot gastronomie, want daarover ging mijn roman ook alweer). De Nederlandse verworven vrijheden ontlokken in een land als Italië nog veel discussie.
Afgelopen weekend kwam Italië naar Nederland. Plotseling werd ons land overspoeld door een tsunami van Italiaanse gelukszoekers. Uiteraard werden deze hordes direct doodgeknuffeld door de Staatsomroepen, met hun geldverslindende hobby’s en roze gekleurde berichtgeving. Dorpen, wijken, hele steden puilden uit van de Italiaanse invasie, met hun ontsnappingen, vluchters en achtervolgers en waar dat soort mensen allemaal nog meer mee bezig is.
Neem het stadhuisplein in Utrecht: bezet door de Azzuri. Het moest niet molto pazzo (knettergekker) worden. Er stonden Italiaanse oldtimers, er waren delicatessen, bruschetta’s, prosciutto di Parma, pecorino Siciliano, pasta’s, men schonk verschillende spumantes en natuurlijk was er heel veel ijs. De gemeente had een ijswedstrijd georganiseerd, waar Utrechtse burgers hun eigen Italiaanse ijs konden laten vervaardigen door de ijszaken Venezia en Roberto Gelato (winnaar werd een nu al klassieke smaak: amandelijs met rozemarijn en gekonfijte sinaasappel).
Mensen stellen me soms de confronterende vraag of ik eigenlijk wel Italianen in mijn kennissenkring heb, en gelukkig kan ik dan opgelucht antwoorden dat ik goed omga met Carlina en Roberto, van de ijswinkel in mijn buurt (en heus niet alleen omdat ik grootverbruiker ben). Roberto is zo langzamerhand de bekendste ijsdraaier van Nederland, de Jonnie Boer in zijn vak. Hoewel hij als creatore di ghiaccio in Italië klassiek geschoold is, schuwt hij het experiment niet, met smaken als olijfijs, sigaarijs en haringijs-met-uitjes (die je geproefd moet hebben).
Een tijdje terug zat ik bij een etentje naast Roberto. Ooit maakte hij ganzenleverijs voor me, omdat een van mijn personages had beweerd dat zulks bijna niet mogelijk was. Roberto liet zien dat het wel kon. Sterker nog, Roberto zei dat hij van álles ijs kon maken.
‘Ook van...’, vroeg ik, waarna ik de naam noemde van een ingrediënt dat
in Nederland wel via de voordeur van de vakhandel naar buiten mag, maar niet via de achterdeur naar binnen. Roberto haalde zijn schouders op. Hij zou dit ijs in zijn winkel natuurlijk nooit kunnen, mogen of willen verkopen, maar technisch was er geen enkel probleem.
En toen stuurde hij me een paar weken geleden een mail. Ik vertel dit even entre nous, want het is niet de bedoeling dat we dit aan de grote klok hangen. Als cadeautje had Roberto voor privégebruik een paar bolletjes ijs-met-het-halflegale-ingrediënt voor me gedraaid.
Hij had zichzelf overtroffen. De kleur van het ijs was mooi wit, met een zweem van doorschijnend groen. De geur was zacht en strelend, de smaak overweldigend, verwachtingsvol, vrolijk en intens tegelijk. En dan de nasmaak, jemig de pemig, een licht tintelend gevoel van rust en verzadiging. Het is natuurlijk onmogelijk, maar als ooit de herrezen Ronde van Nederland in Turijn van start zal gaan, mag bij de Nederlandse braderie op de Piazza Castello dit gedoogijs worden aangeboden aan de Italiaanse bevolking. Mozes kriebel! Of in het Italiaans: Mosè solletico!





