terug naar het weblog > 10 november 2009

BRIEF AAN FIDEL

De onderstaande brief schreef ik deze zomer aan Fidel Suárez Cruz (zie het vorige stuk). Halverwege deze maand krijg ik te horen of de brief is aangekomen.

 

 

Utrecht, Nederland, 31 augustus 2009

 

Beste Fidel Suarez Cruz en Anisley Puentes Varela,

 

Hoewel ik u beiden niet persoonlijk ken, wil ik u laten weten dat mijn gezin en ik zeer met u en de uwen meeleven. De onvrijheid in uw land en het barbaarse van uw situatie is voor ons wezenloos, onbegrijpelijk, tergend en woedend makend. Wat in uw land als een misdaad geldt - het actief propageren van de onafhankelijkheid van het gedrukte woord - is bij ons een volkomen geïntegreerde levensader en peiler van onze democratie. Door de onbegrensde vrijheid in mijn land, bestaat hier het gevaar dat we soms vergeten dat er elders op aarde regimes zijn die ruimte van het vrije woord niet alleen beknotten, maar ook op een mensonterende wijze onderdrukken.

 

U bent beiden slachtoffer van zo’n regime en uw persoonlijke verhaal gaat ons na aan het hart. We leven sterk met u mee waar het uw omstandigheden betreft, uw cel, uw ketens, uw eenzaamheid, uw gezondheid, uw zoon die oud genoeg begint te worden om de situatie te begrijpen. Daarnaast voelen we de diepst mogelijke bewondering voor het gevecht dat u voert, uw wilskracht, de standvastigheid waarmee u strijdt voor het belangrijkste principe dat een denkend mens heeft: zijn vrijheid.

 

Ik ben schrijver in een land waar schrijvers - volkomen terecht - in de watten worden gelegd. Toch vraag ik mij in alle oprechtheid af of veel van mijn collega’s en ik dit beroep zouden kunnen of durven uitoefenen als we aan de gevaren zouden worden blootgesteld die schrijvers en intellectuelen in uw land moeten doorstaan. Uw gevangenisstraf en de gevolgen die dit heeft voor uw naasten lijkt ons ondraaglijk.

 

Toch begreep ik uit het verslag dat ik kreeg van het bezoek dat de IKV-medewerksters Marjolein en Maina in 2008 brachten aan Anisley, dat u ondanks uw omstandigheden sterk en hoopvol bent, dat u elkaar moed inspreekt en opbeurt. Dat is goed om te horen. Cicero schreef ooit in De Oratore: ‘Zo is er geen levenssituatie denkbaar waarin voor hoop en esprit geen plaats is.’ Ik hoop oprecht dat hij hierin gelijk heeft.

 

Bij wijze van opbeuring: het kan niet anders dan dat het dictatoriale regime dat u in deze situatie heeft gebracht binnen afzienbare termijn zal verdwijnen. Wanneer dat zal geschieden zult u vrij zijn en herenigt worden – een verwachtingsvolle dag waarnaar ook wij vurig uitzien.

 

Tot slot wil ik u het levensmotto van mijn moeder meegeven, regels die ook ik mij eigen heb gemaakt. Mijn moeder (ze is al lange tijd geleden overleden) was een progressieve politica die streed voor mensenrechten en vrijheid, waar ook ter wereld. Haar devies kwam van de Nederlandse dichter Albert Verwey (1865-1937) uit zijn gedicht ‘Zij en wij samen’:

 

Wie waarlijk leeft heeft in zijn hart

een onvernietigbare veer, een stille kracht,

die iedere weerstand tart.

Geen naam, geen leer of tijd

slechts de wil om sterker te zijn dan leed en smart.

Aanvaard uw taak, volvoer haar stil,

heb lief en hoop en wees bereid.

 

‘Zij en wij samen’, dat slaat ook op de band die wij als gezin met u voelen. Wij wensen u allen een onuitputtelijke bron aan kracht, energie en doorzettingsvermogen, en leven met u mee in vriendschap,

 

PS: Bijgevoegd heb ik een tekening van mijn elfjarige zoon Broos, die net zo meeleeft als mijn vrouw en ik, en die spontaan zijn tekenpen pakte.

 

***

 

Utrecht, Holanda, 31 de agosto de 2009

Estimados Fidel Suarez Cruz y Anisley Puentes Varela:
Aunque no les conozco personalmente, permítanme expresarles nuestra simpatía, la de mi familia y la mía, hacia ustedes y los suyos. La falta de libertad en su país y la brutalidad de su situación nos resultan inconcebibles, incomprensibles, exasperantes e indignantes.

 

Lo que en su país se considera delito - propagar de forma activa la independencia de la palabra escrita - constituye en nuestro país una fuente vital y un pilar reconocido de nuestra democracia. Por la libertad ilimitada que existe en mi país, corremos el peligro de olvidar a veces que en otros lugares de la Tierra hay regímenes que no sólo coartan la libertad de palabra, sino que también la reprimen de manera infame.

 

Ambos son víctimas de un régimen así, y su historia personal nos ha conmocionado profundamente. Nos apenan enormemente sus circunstancias, su encarcelamiento, sus cadenas, su soledad, su salud, su hijo que empieza a tener suficiente edad para comprender la situación. Por otra parte, sentimos la más profunda admiración por la lucha que están manteniendo, su fuerza de voluntad, la firmeza con la que luchan por el principio más importante que tiene un hombre racional: su libertad.

 

Yo soy escritor en un país en el que los escritores - justificadamente - son tratados entre algodones. No obstante, me pregunto sinceramente si muchos de mis colegas y yo mismo seríamos capaces o nos atreveríamos a ejercer esta profesión si estuviéramos expuestos a los peligros por los que pasan los escritores e intelectuales en su país. Su pena de prisión y las consecuencias que ello implica para sus más allegados nos resultan intolerables.

 

No obstante, tengo entendido por el informe que recibí de la visita que los empleados de IKV Marjolein y Maina realizaron en 2008 a Anisley, que pese a sus circunstancias, ustedes se sienten fuertes y esperanzados, que se infunden ánimos y se reconfortan mutuamente. Eso es algo que nos alegra oír. Cicerón escribió una vez en De Oratore: “No hay ninguna circunstancia de la vida imaginable en la que no haya lugar para la esperanza y el espíritu.” Espero sinceramente que estuviera en lo cierto.

 

Para infundirles ánimo: el régimen dictatorial que les ha llevado a esta situación no puede sino desaparecer en un futuro próximo. Cuando eso ocurra, serán libres y se reunirán con sus familias - un día lleno de esperanza que nosotros también anhelamos con todo nuestro corazón.

 

Finalmente, quisiera hacerles llegar el lema de vida mi madre, cuyas frases yo también he hecho mías. Mi madre (falleció hace ya tiempo) era una mujer progresista, que luchó por los derechos humanos y la libertad, en cualquier parte del mundo. Su consigna provenía del poeta holandés Albert Verwey (1865-1937) de su poema ‘Zij en wij samen’ (“Ellos y nosotros juntos”): 

Quien verdaderamente vive tiene en su corazón

un muelle indestructible, una fuerza silenciosa,

que afronta cualquier resistencia.

Ningún nombre, ninguna doctrina o época

sólo la voluntad de ser más fuerte que la pena y el dolor.

Acepta tu tarea, asúmela silenciosamente,

ama, ten esperanza y prepárate.

‘Ellos y nosotros juntos’, también guarda relación con el vínculo que nosotros, como familia, sentimos respecto a ustedes. Les deseamos a todos una fuente inagotable de fuerza, energía y perseverancia, y reciban nuestro apoyo y amistad.

Ronald Giphart, Mascha y nuestros hijos.


P.D.: Adjunto un dibujo de mi hijo Broos de once años, que siente lo mismo que mi mujer y yo, y que de forma espontánea cogió su lápiz de dibujo.