terug naar het weblog > 12 mei 2009

OPEN BRIEF AAN DARWIN

Dag meneer Darwin,

 

Mag ik u allereerst feliciteren met uw geweldige wereldwijde media-aandacht? U heeft daar zelf natuurlijk geen debet aan, want u ligt alweer een tijdje op uw rug in een Engelse kathedraal, maar menig spindoctor en reclamestrateeg zal jaloers zijn op de alomtegenwoordigheid van ‘het merk Darwin’.

 

Een van uw grootste hedendaagse exegeten, de filosoof Daniel Dennett, is naast een gepassioneerde Darwinist ook een fel pleitbezorger van de zogenoemde ‘mementheorie’. Een ‘mem’ – ik zal het uitleggen, want dit begrip bestond in uw tijd nog niet – is een flard onstoffelijke informatie die zich in de hersens nestelt, bijvoorbeeld een historisch beeld, een uitspraak van een politicus, een grap, roddel of deuntje. 

 

Net als genen zouden memen de blinde wil hebben om zich voort te planten. Sterke memen (denk aan goeie grappen, indrukwekkende quotes, pakkende liedjes) hebben een grotere evolutionaire overlevingskans dan slechte memen (flauwe grappen, saaie quotes, niet na te neuriën liedjes). Uw theorie over de overleving van soorten is tot nu toe een van de krachtigste memen aller tijden gebleken, vergelijkbaar met de memen van Jezus, God of Allah. 

 

‘Genen?’ hoor ik u vanonder uw koude zerk verbaasd afvragen, en ook dat behoeft uitleg, want het erfelijkheidsmechanisme, laat staan de werking van DNA, was u in uw tijd nog niet bekend. Tijdens uw leven waren de veranderingen in de wereld immens (opkomst van de trein, industrialisatie, afschaffing van de slavernij), maar wat er na uw dood aan ontdekkingen en aardverschuivingen zijn geweest, moet voor u wezenloos zijn.

 

U was van de laatste generatie wetenschappers die we liefdevol omschrijven als ‘rijke amateurs’. Welke gesjeesde twintiger zou heden ten dage op kosten van zijn ouweheer vier jaar lang over de wereld mogen reizen, om een 27-jarige kapitein die vanwege zijn stand niet mag omgaan met de bemanning, een beetje aanspraak op niveau te bieden?

 

De weldadige innerlijke rust die u tijdens uw tocht met The Beagle de mogelijkheid bood ongestoord na te denken over levensvormen en hun omstandigheden, zou vandaag de dag onvindbaar zijn (nu zou u na een tocht door de pampa’s en het doodschieten van een agoeti - een chocoladekleurig knaagdier – direct met uw mobieltje een filmpje twitteren op uw weblog, om met reaguurders te chatten over uw buit).

 

Ik heb de afgelopen jaren gemerkt dat het mem ‘Darwin’ zeer uiteenlopende reacties oproept, en dan heb ik het niet alleen over napruttelende fundamentalistische gelovigen. Daniel Dennett en Richard Dawkins verdedigen uw gedachtegoed met verve, maar een schrijver als David Quammen moet weinig van u hebben. Hij noemt u in zijn boek Het lied van de dodo (uitgeverij Atlas) ‘in het gunstigste geval’ een zwakke, zelfzuchtige man die ten onrechte wordt bewonderd. Mede door deze aantijgingen heb ik vorig jaar uw biografie gelezen, een baksteen geschreven door Adrian Desmond en James Moore (uitgeverij Nieuw Amsterdam).

 

Ik ben bioloog noch psycholoog, maar afgaande op dit boek moet ik constateren dat enige paradoxale, soms antipathieke trekjes u niet vreemd zijn. U had een afgrijselijk slechte gezondheid, maar voer bijna vijf jaar in een stinkend ongediertebootje over verre zeeën. U was een groot liefhebber van de natuur, maar doodde naar hartenlust om het even welk dier er in uw blikveld kwam (in uw studententijd was u zelfs lid van een zogenoemde ‘Veelvraatclub’ die tot doel had obscure diersoorten te eten). U was op het pathetische af statusgevoelig, maar durfde uiteindelijk na veel spindokterij toch uw schokkende theorie over de natuurlijke selectie te publiceren.

 

Desalniettemin waren er ook fragmenten in uw biografie die mij bijzonder raakten. Het indrukwekkendst was de passage over uw overleden tienjarige dochter Annie, uw immer vrolijke, doch ziekelijke oogappel. In maart 1851 werd zij naar de kliniek gestuurd waar uzelf ook vaak was behandeld. Terwijl de regen tegen het raam sloeg en de hemel donderde (‘het machtige gebeier van de natuur’) stierf het meisje in uw bijzijn. 

 

‘O wist zij maar,’ schreef u een week na haar dood, ‘hoe teder wij nu en altijd haar lieve, vrolijke gezicht zullen blijven beminnen.’ En aan uw broer verzuchtte u in een brief: ‘God weet dat wij nergens een glimp van troost kunnen bespeuren.’ Dat laatste is een diepdoorleefd hartverscheurend mem.

 

(Verscheen in de Volkskrant, februari 2009)