AUTEUR

Foto: Michael Braamberg
Mijn laatste filmcolumn in de Volkskrant van afgelopen donderdag:
Hopelijk staat u mij toe dat ik in mijn laatste bijdrage aan deze rubriek heb gekozen voor iets persoonlijks. Als locatiescout van mijn eigen leven vond ik voor het decor het Utrechtse Wilhelminapark, en als tegenspeler castte ik regisseur Robert Jan Westdijk, bekend van het internationaal gelauwerde Zusje (1995) en de veelbesproken film Het echte leven (2008).
Maar eerst een bekentenis. Met het jeugdige arrogante dat solipsistische schrijvers eigen is heb ik lange tijd een voor buitenstaanders waarschijnlijk benauwend wereldbeeld gehad: in mijn optiek waren er ‘boeken’ en daarnaast was er ‘al het andere’.
Andere kunstuitingen dan literatuur heb ik diep in mijn hart nooit bijzonder serieus kunnen nemen. De ontroering die sommige muziek geeft gaat zeer diep, al blijft het een woordloze, bijna dierlijke emotie. Schilderkunst kan heel kunstig zijn, maar de plaatjes bieden mij slechts kortstondige bevrediging, net als fotografie en strips. Architectuur blijft gebruikskunst, en over keramiek wil ik het al helemaal niet hebben. Ook mis ik het gen om me ten volle te geven aan toneel, mime of dans. Mijn probleem met film was lange tijd dat ik niet begreep hoe ‘een allerindividueelste expressie’ kon worden vormgegeven door een productieploeg van een mannetje of tachtig.
En toen zag ik, gelokt door een affiche waarin een meisje een lepel op haar neus droeg, de film Zusje van debutant Westdijk (1965). En daarna nog eens. En nog drie keer. Nooit was ik zo gegrepen door een film als door deze verbeelding van de grootsteedse levensperikelen van jongvolwassenen. Zusje was onstuimig, persoonlijk, vernieuwend en experimenteel, zonder pretentieus te zijn - zoals bijvoorbeeld het werk van de Deense Dogma-broertjes, die een jaar na Zusje met hun suffe regeltjes de internationale filmwereld bestookten.
Ik leerde dat een film geen industrieel massaproduct hoeft te zijn, maar volgens de wetten van de Franse cinematheorie ook kan zijn gemaakt door een auteur, iemand die in alles zijn individuele stempel op het eindproduct weet te drukken.
Later, in 2003, besloot Westdijk mijn roman Phileine zegt sorry (1996) te verfilmen, waarvan de openingsscène werd gedraaid in het Utrechtse Wilhelminapark, direct naast de plek waar Westdijk mij gisteren for old acquaintances vergezelde.
Uiteraard bezocht ik destijds de set, een gebeurtenis die grote indruk maakte. Voor het eerst zag ik een auteur in opperste concentratie leiding geven aan een enorme ploeg. Waar schrijvende auteurs genoeg hebben aan zichzelf en wat velletjes papier, moeten filmende auteurs leunen op producenten, regieassistenten, setdressers, wardrobe designers, casting directors, location scouts, editors, componisten, sound designers, cameramannen, focus pullers, gaffers, grippers en fluffers.
Westdijk verkeerde bij die opnamen in wat ik maar noem een dieper artistiek bewustzijn, een toestand waarin ik mij het komende half jaar ook hoop te krijgen, als u mij toestaat dat ik het tot slot eindelijk eens over mezelf heb.





