CRASH
Column in de Volkskrant, 14 mei 2010
Hemelvaart, eind van de middag. Ik bel met mijn vrouw. Zij verblijft met onze drie kinderen en een groep vrienden op het Griekse eiland Samos, in een plaatsje genaamd Pythagorion (de naam schrijf ik over van het velletje ‘thuisblijversinformatie’). Straks vieren de vakantiegangers de traditionele Bonte Avond, in de zoele zeebries bij het strand, want in tegenstelling tot de koek-en-zopietemperatuur bij ons is het in Griekenland natuurlijk juist warm voor de tijd van het jaar. Geld hebben ze niet, maar aan zon geen gebrek.
Vanochtend vroeg vliegen de vier gezinnen terug naar Nederland. Op normale dagen baart een vliegreis nauwelijks kopzorgen, maar toch zal ik opgelucht ademhalen als ik mijn vrouw en kinderen straks op Schiphol uit de aankomstsluis zie rennen. De keren dat mijn familie zonder mij vliegt koester ik de geruststellende gedachte dat mijn angsten welbeschouwd irreëel zijn. Tripoli verstoorde deze koestering ruw.
Mijn vrouw en ik praten over de crash. De explosie vlak voor de landing. Het onmenselijke gesteggel met passagierslijsten. De mogelijkheid van een terroristische aanslag. De gestopte verkiezingscampagnes. En over Ruben natuurlijk.
Hoe het nu verder moet met de knul. In Griekenland had men zich afgevraagd of Ruben niet beter met zijn gezin had kunnen verongelukken, zodat al het leed en verdriet hem bespaard zouden blijven. Dit zal waar zijn voor de korte termijn, maar niet voor het mensenleven dat hij nog voor zich heeft. Het leven is ons enige bezit.
Ik vertel over de Ruben-industrie en de golf van Ruben-toerisme die het land en de rest van de wereld inmiddels overspoelt. Een meegereisde journalist rapporteerde Rubens ‘glimlach toen hij zijn oom en tante zag’.
De Gooi & Eemlander kwam in een gratis extra editie (goeie pr!) met een paginagrote foto van het joch, weerloos aan de beademing. Ruben verovert twitter. Iedereen wil Ruben. Ruben sells. Ruben is van ons, of hij het leuk vindt of niet. Hij zal Libië niet verlaten zonder met Kadhafi op de foto te moeten.
DWDD en P&W willen allebei exclusief met hem praten over zijn leven na de ramp. DWDD schermt met een ‘onkostenvergoeding’, P&W biedt een fraai dvd’tje met een integere compilatie van internationale beelden van de crash, zodat Ruben deze moeilijke gebeurtenis later toch ‘een plaatsje kan geven’.Het management van Ruben bereidt ondertussen een landelijke tournee voor, want wij Ruben-fetisjisten hebben er natuurlijk wel recht op te weten hoe het verder met hem zal gaan (‘opvallend is dat hij zo’n gewone jongen is gebleven’). Er is ook een keerzijde: ondanks al deze mooie dingen krijgt Ruben zijn ouders en broer hier natuurlijk niet mee terug, daar mogen we best even bij stilstaan.
‘Ik hoor dat je een stukje op me aan het uitproberen bent’, zegt mijn vrouw, als ik een moment stil ben. Ik zucht.
‘Je dochter heeft net gevraagd of ons vliegtuig nu ook gaat neerstorten’, gaat ze verder. ‘Ze sprak het woord ‘neerstorten’ bijna gretig uit, alsof het iets spannends was.’
‘Lekker meisje.’
‘Jij maakt je toch geen zorgen?’, vraagt mijn vrouw, met het accent op jij. Van ons tweeën ben ik degene die stoïcijns in het leven probeert te staan.
‘Nee’, zeg ik, met zo veel nadruk dat het bijna klinkt als ja. ‘En jij?
’Nu hoor ik mijn vrouw zuchten. Haar antwoord blijft hangen ergens tussen Pythagorion en Utrecht.





