VUKKUNNUVUDDU

Zit al uren tegen dit stukje aan te hikken, omdat ik weinig zin heb om weer aan het werk te gaan. Dat mag je als schrijver natuurlijk niet toegeven: dat je af en toe geen fut hebt om je achter je computer te slepen en gehoor te geven aan je goddelijke roeping (een pastoor of dominee horen we ook nooit zeggen dat hij er vandaag eens geen behoefte aan heeft om de Here te dienen).
Eergisteravond kwam ik met mijn gezin terug uit Oost-Normandië en gisteren werden we direct gezogen in de dagelijkse routine van school, gezin, werk, Albert Heijn, Knevel en Van den Brink. De verschillen tussen een regeerakkoord en een gedoogakkoord. De overname van Vitesse. De verschrikkingen in Pakistan. De dood van schrijver Herman Franke.
Het vreemde is dat ik – als ik net op vakantie ben – word geplaagd door heimwee, een gevoel waarvoor ik me vroeger wel schaamde. Het is niet flink om Nederland te missen. Die eerste dagen op reis ervaar ik letterlijk een cold turkey van de dagelijkse actualiteitenvloed. Afkicken van het nieuws: geen kabinetsformatie, geen rampen, islamproblematiek, Desi Bouterse of beursberichten.
En als mijn geest dan na drie weken eindelijk een staat van informatienirwana heeft bereikt en ik ’s ochtends niet meer taal naar de krant maar naar een tijdloos verhaal uit bijvoorbeeld Vogels die vlees eten van debutant Thijs de Boer, dan is het moment aangebroken om godsamme alweer naar huis te rijden. Thuisgekomen word ik overvallen door een gevoel van daarwee. Waarom zijn we niet daar gebleven? Hoe zou het daar nu zijn? Daar waar we weer moesten vertrekken.
Vroeger had ik dit nog veel sterker, vooral als ik met een groep leeftijdsgenoten was weggeweest naar een of ander vrolijk kamp. De sfeer op zo’n vakantie, de ontloken liefdes, de verhalen, de humor, de verslavende koestering van het gezelschap en de wetenschap dat alles onafwendbaar nooit meer zo zou worden. De eerste dag terug overviel me in mijn eigen vertrouwde straat in mijn eigen wijk een enorm vukkunnuvuddu, een variant op het bekendere ludduvuddu:
Van Dale: lud.·du.vud.·du (de), (eufemisme; informeel) liefdesverdriet).
Net als bij verliefdheid maken onze hersenen tijdens vakanties een rivier aan lekkere chemicaliën aan, die ons gemoed in een zoete roes brengt. Direct na terugkomst valt deze stroom plompverloren droog, waarna een verlammend gemis rest. Een slimme apotheker zou eens op het idee moeten komen om pillen tegen dit vakantieverdriet te draaien, om de plotselinge dichtgedraaide chemicaliënvloed te compenseren met andere prettige stofjes.
Meryl Streep vertelt in de film The hours haar dochter over een bepaald gevoel: ‘There was such a sense of possibility. You know, that feeling? And I remember thinking to myself: so, this is the beginning of happiness. This is where it starts. And of course there will always be more. It never occurred to me it wasn’t the beginning. It wás happiness. It was the moment. Right then.’
Terugdenkend aan onze voorbije vakantie schiet dit citaat me te binnen. Kinderen op de trampoline, vrienden die overgekomen zijn uit Nederland, een plank met kazen, een fles wijn, de avondzon op het terras, paarden in de wei voor ons huisje, een kampvuur – voor buitenstaanders zal het walmend weemoedig klinken, maar voor ons was het niet het begin van geluk: het was geluk.
Column in de Volkskrant, 18 augustus 2010





