DE MINNAAR

De introductiedagen voor nuldejaarsstudenten brachten me naar de literaire studentenvereniging Flanor in Groningen. Na mijn optreden bezocht ik in het gezelschap van schrijver Coen Peppelenbos een buurtcafé genaamd De Minnaar. Goede naam voor een café, goede plek, goed terras, een mooi gemêleerd gezelschap van stadjers, studenten, nieuwelingen en levensveteranen. Op de deur van de heren-wc hing een bord ‘Minnaars’ en op de dames ‘Minnaressen’.
Coen en ik dronken wat. We dronken nog wat. We dronken nog meer, en voor we er erg in hadden waren we opgenomen in de familiaire koestering van het café. De vertroosting van barkrukken, getapt bier, humor, wijsheid en stamgasten. Iemand vertelde dat Sting het nummer Roxanne had gebaseerd op een vrouw in een Gronings prostitutiesteegje. Iemand zei dat hij twee studenten kende die niet aan Lingo mochten meedoen, omdat ze volgens de makers van het programma niet de Lingo-look hadden. Iemand vertelde over psychologische behandelmethode genaamd ‘polarisatietherapie’.
Tegen de bar stond een man uitdrukkingsloos voor zich uit te staren. Ik keek hem aan, hij keek mij aan.
‘Alles goed?’, vroeg ik.
Hij haalde zijn schouders op.
‘Mijn vriendin heeft me vandaag gedumpt’, zei hij, met een licht Gronings accent. Leed achter zijn ogen. Een man die zich groot hield. De dingen waarover je diep in de nacht praat.Ik knikte. Het café is bij uitstek de plaats om dit soort levenszaken met volslagen onbekenden te bespreken.
‘Jaha, Giphart,’ zei hij.
‘Nog een biertje dan maar?’, vroeg ik en ik gebaarde naar de barvrouw. Even zwegen de man en ik.
Hij vervolgde: ‘Keihard heeft ze het uitgemaakt, ze houdt van me, zei ze, maar het is beter als we elkaar niet meer zien. Ze wil helemaal geen contact meer.’‘Woonden jullie samen?’, vroeg ik.
De man pakte zijn verse biertje.‘Nee, ik ben getrouwd.’
Oké, die had ik niet zien aankomen.Ik zei: ‘Dus je minnares heeft je gedumpt?’, waarop de man bevestigend met zijn tong klakte.
‘Ze wil me niet tot een keuze dwingen. Ze vindt het leeftijdsverschil te groot. Ik mag haar niks meer sturen.’
Hij pakte zijn mobiele telefoon van de bar.
‘Hé, ze heeft me zelf een sms gestuurd’, zei hij, met een spoor hoop in zijn stem. Hij las het bericht en zweeg.
‘En?’, zei ik.
‘Dit is mijn laatste sms’, las hij voor. Hij liet me het berichtje zien. ‘Voel me erg somber. Hou van je, maar het is onmogelijk. Stuur me niets terug, svp.’
De man legde zijn toestel weer op de bar.
‘Haar laatste sms’, zei hij zuchtend.
Ik zei dat dit me deed denken aan het gedicht Haar laatste brief van Martinus Nijhoff, waarna ik een paar regels citeerde. Verwijt mij niet dat ik lichtzinnig was omdat ik liefgehad heb zonder trouw en zonder tranen heenging (...) Zeg zacht mijn naam, en ik ben in ’t vertrek: de bloemen staan weer in de vensterbank, de borden in het witte keukenrek. Want meer van mij bevindt zich in die klank dan in de jeugd waarom je van mij houdt, mijn bijna-jongensborst, mijn haar van goud.
De man knikte en samen zwegen we. Poëzie om kwart over drie ’s nachts. Eerste hulp bij ongeluk.
Column in de Volkskrant, 20 augustus 2010





