KOELKAST
Op Twitter - waar iedereen nog alle tijd van de wereld heeft - waait de gimmick dat mensen foto's publiceren van hun koelkast. Dit is bijvoorbeeld het exemplaar van journalist Francisco van Jol. Ook ik ben inmiddels aangespoord een foto van mijn koelkast prijs te geven. In reactie daarop het volgende stukje, dat begin deze eeuw verscheen in het inmiddels ter ziele blad Rails (en waarvan een alinea terechtkwam in Troost.
Een paar maanden geleden werd ik gebeld door een gerenommeerd journalist. Hij had me een jaar of acht geleden eens geïnterviewd voor een gerenommeerde rubriek in een gerenommeerd blad en inmiddels was hij eindredacteur (dat is Hilversums voor baas) van een zeer gerenommeerd televisieprogramma. Of hij me even mocht lastigvallen met een klein verzoek, een kwartiertje van mijn tijd. Het ging om een lucratief schnabbeltje zijnerzijds. Voor het advertentiekrantje van een kiloknallende grootgrutter interviewde hij namelijk publieke personen over… hij schraapte zijn keel… over hun koelkast.
Ik heb de even onschuldige als ziekelijke gewoonte om van mijn eigen leven een film te maken, en als journalisten dit soort dingen vragen zie ik mezelf ergens achterin een lange donkere tunnel staan, waarna de camera langzaam en vervolgens steeds sneller op me in begint te zoemen, tot het beeld uiteindelijk stopt bij een uitsnede van mijn mond, zweetdruppels op mijn bovenlip nog net zichtbaar.
‘Mijn koelkast?’ vroeg ik, waarna ik slikte. ‘Jij wilt mij over mijn koelkast interviewen?’
De man lachte onzeker. Nu heb ik er voor gekozen mijn leven zo in te richten dat ik iedere dag opnieuw uren achtereen in eenzaamheid verkeer om woorden te bedenken en te rangschikken en daarmee te zoeken naar wat ik uiteindelijk maar noem troost, hoewel dat woord de lading slechts ten dele dekt: geschreven troost in eerste instantie voor mezelf en pas later voor vrienden en nog veel later voor andere lezers die in mijn verwoorde gedachten wellicht ook vertroosting vinden, troost voor dingen die ik niet begrijp, of die ik juist wel begrijp, liefdevolle troost, troost voor haat, voor de meedogenloze mensheid, geile troost, troost voor verdriet en verlies, voor macht die je niet hebt en dingen die je niet kunt of niet kunt veranderen, troost voor overleden moeders en de illusie van vriendschap, voor vragen waarop je nooit antwoord zult krijgen, troost die tegelijk opbeurt en ontregelt.
Inmiddels weet ik hoe deze keuze van mijn leven een schrijfzoektocht naar troost te maken, tot de verbeelding spreekt van ‘het publiek’ en ‘de media’. Net als alle schrijvers die meer dan vijfenzeventig exemplaren van hun boeken verkopen, wordt mij regelmatig gevraagd tekst en uitleg te geven over mijn werk, en in het verlengde daarvan over mijn leven, mijn liefde, mijn Weltanschauung.
‘Mijn koelkast?’ vroeg ik nog een keer, voor de zekerheid. De journalist lachte wederom zenuwachtig. Het was alsof hij zich ervoor schaamde. Ik ken één stokoude schrijfster die zich consequent nooit laat interviewen (en daar heel veel publiciteit mee krijgt) en ik ken een aantal zeer artistiek-zelfingenomen al dan niet zwaar gesubsidieerde graagwillers die er prat op gaan zich ook nooit te laten ondervragen, maar dat is omdat hun boeken - áls ze al worden uitgegeven - nauwelijks tien exemplaren verkopen en niemand deze auteurs überhaupt wil horen. Voor de rest laten álle schrijvers zich interviewen (waarbij het grappige is dat hoe vaker een schrijver ingaat op verzoeken van de media, hoe sneller die media hem of haar beschuldigen van mediasletterij).
Nu heb ik helemaal niets tegen sletterij en ik vind dat er principieel gezien geen onderscheid is tussen onderwerpen als euthanasie, religie, de dood van een collega, je favoriete vakantielectuur, je ideale tv-avond of je eerste liefde, en daarnaast heb ik het nog nooit een collega horen toegeven (in interviews bedoel ik) dat het soms prettig of zelfs inspirerend of zélfs onverwachts troostgevend kan zijn om over je werk, je leven of opvattingen te praten.
Een koelkast bijvoorbeeld, c’est ne pas een koelkast. Een koelkast is de verzinnebeelding van de fase van het leven waarin iemand zit. Die veilige koelkast (‘ijskast’) van vroeger, van thuis, en later de koelkast van het studentenhuis, die voornamelijk dienst doet als vervanging van de vuilnisbak, nog later de koelkast die daadwerkelijk wordt gebruikt om dingen in te koelen, en nog later de designkoelkast, de grote gezinskoelkast, met tientallen sauzen, dranken, groenten, etenswaren, nog meer sauzen, met bakboter, gewone boter, gezouten boter, vloeibare boter, en een handvol bakjes met… (ik krijg het goddomme bijna mijn pen niet uit) kliekjes.
Zonder de vraag van de beschaamde gerenommeerde journalist mee te doen aan zijn lullige schnabbelrubriekje in het blad van de grootkapitalistische kiloknaller was ik nooit op het idee was gekomen om inderdaad eens na te denken over mijn koelkast. Hoe vaak denken mensen serieus na over hun koelkast? Hoe vaak praten mensen over hun koelkast? Wanneer schrijft iemand eens The Refridgerator Monologues? Een koelkast zou een perfecte hoofdpersoon kunnen zijn van een lijvige roman over iemands leven. Laat me je koelkast zien en ik zeg je wie je bent.





