THE MAKING OF PHILEINE ZEGT SORRY
Werkend aan mijn laatste column voor de Volkskrant (een stuk over Robert Jan Westdijk), kwam ik deze tekst tegen uit 2003. Het verhaal verscheen als los boekje bij een Viva.

Vaak is het zo dat een schrijver een boek in een flits voor zich ziet. Hij loopt over straat aan iets onbenulligs te denken en flits!: plotseling zit er een boek in zijn hoofd, een boek met een eigen toon, een stijl en het vermoeden van een plot. Vanaf die flits bestaat het boek daadwerkelijk, al is er nog geen letter geschreven.
Phileine zegt sorry flitste door mijn hoofd aan het eind van een warme zomer, halverwege de jaren negentig. Met wat vrienden zag ik in het Academietheater in Utrecht een studentenuitvoering van Shakespeares Romeo & Julia. Mijn toenmalige vriendin M. speelde er in mee, wekenlang had ze met haar medespelers gerepeteerd. Het was een heerlijk experimentele voorstelling: er werd veel geschreeuwd en gevochten, en de rollen stonden om een of andere artistieke reden niet bij voorbaat vast. Soms speelde de ene actrice Julia, soms de andere en soms speelden alle actrices de rol tegelijk. Ook Romeo verwisselden voortdurend van acteur.
Lees meer>
BLIJE MENSEN
Fragment uit Giph (1993).
Zo-even stond ik voor mijn raam te kijken naar de wolken boven de stad. Het schemerde, maar het regende niet. Ik kan dat heel lang, zo staren naar de stad en de lucht erboven. Jeroen Brouwers schrijft ergens: ‘Ik vind er niets aan, aan leven.’ En hoewel ik dat ook wel eens denk, overkomt het me toch vaker dat ik er juist wel wat aan vind, aan leven. Als ik ’s avonds zo’n beetje half en half naar de stad sta te staren, en ik hoor de straatgeluiden, en ik zie mensen zitten in de cafés, en ik heb een volle agenda met allemaal leuke spaghetti-afspraken, dan word ik, tja, ik weet niet, het klinkt zo simpel, dan word ik best behoorlijk blij. Dat ik best behoorlijk blij ben, met m’n leven en zo, en al die dingen, hoe het gaat met m’n vrienden, en dat je je soms rot voelt over een bepaalde periode, maar dat er dan iemand op de proppen komt die geregeld haar tong in jouw mond gaat steken, en dat je dat dan een verhouding noemt, en dat je dan plotseling blij bent, niet zomaar blij, maar echt blij, zo blij dat je het zonder dralen zou willen zeggen, zo van: ‘Hé, ik ben blij,’ zo van dat je je moet inhouden om je ramen niet open te gooien en naar argeloze omstanders te roepen: ‘Hé, argeloze omstanders, ik ben blij,’ en dat er onder die argeloze omstanders mensen zitten die terugroepen: ‘Hé, wij zijn ook blij,’ en dat er nog meer mensen aankomen die allemaal roepen: ‘Wij zijn blij,’ en in de verte zie je mensen, en je wijst, en je roept: ‘Hallo! Zijn jullie blij?’ en ze roepen terug: ‘Ja, wij zijn blij,’ en overal zijn alle mensen blij, en jullie zwaaien naar mekaar, en omdat iedereen zo blij is, stelt iemand voor een club te beginnen, een club van blije mensen, en in de straat begint men te juichen, wat een enorm goed idee, en die club wordt ter plekke opgericht, en er wordt gefeest om te vieren dat de club er is, en het is zo’n uitermate blije bedoening, tot er een nieuw iemand de straat in komt wandelen, en jullie vragen: ‘Nieuw iemand, ben jij blij?’ en die nieuwe iemand zegt: ‘Blij? Ik? Rot op! Ik heb kanker,’ en er heerst meteen ontsteltenis, er is iemand niet blij, en de groep wacht gelaten af, tot er iemand roept: ‘Maak hem af!’ en de blije menigte roept: ‘Ja, maak hem af!’ en de menigte maakt hem af, en weer iemand anders roept: ‘De stad in!’ en de menigte juicht: ‘Ja, de stad in,’ en de menigte trekt de stad in, en iedereen die ze tegenkomen vragen ze: ‘Ben jij blij?’ en zegt iemand: ‘Ja, ik ben blij,’ dan mag hij bij de club, maar zegt iemand: ‘Nee, ik ben niet blij,’ dan is het tiakka! hoofd eraf, en jullie vragen het aan heel veel mensen, er er blijken heel veel mensen niet blij te zijn, en jullie gaan kampen inrichten om al die niet blije mensen gezamenlijk af te maken, en jullie brengen ze bij bosjes om het leven, rakkatakkarakkatakka klinkt het in de stad, onophoudelijk, en de lijken stapelen zich op, en sommigen van jullie vragen: ‘Kan dit nu wel? Is dit niet wat overdreven?’ en dan zeggen anderen: ‘Dit moet, dit is de harde lijn,’ en dan krijgen jullie onenigheid over deze twee zienswijzen, en dan ontstaan er twee groepen rivaliserende blije mensen, en gaan jullie elkaar bevechten, en dan komen er nog meer afsplitsingen, en nog meer groepen, en groepen blije mensen uit andere steden, en dan gaan jullie elkaar uitmoorden, en komen er hongersnoden, en uitgemergelde kinderen, en brandende gebouwen en bommen en verderf en dood. En als je dan ’s avonds zo’n beetje half en half naar de wolken boven de stad staat te staren, te luisteren naar de avondgeluiden, en je ziet de mensen op straat, en de rottende met maden krioelende lijken en de afgekloven ledematen, en je ruikt de stinkende geur van verbrand vlees, dan denk je: Dat komt er nou van, van blij zijn.
TITAANTJES (WIJ WETEN HET óóK NIET)
Fragment uit Giph, uit het hoofdstuk 'Nooit meer Amsterdam'. Hoofdpersoon Giph is binnengekomen op het Boekenbal.
Traditiegetrouw kent het Boekenbal twee gedeelten. Het eerste is een zaalprogramma met literair amusement, dat alleen toegankelijk is voor de echte boekenbonzen (boebo’s), de mensen die het allemaal betalen (en trouwens ook verdienen). Het tweede gedeelte is het eigenlijke Bal, als schoorvoetend het gepeupel ook wordt toegelaten. Er zijn (voor zover ik erover kan meepraten natuurlijk) altijd twee dansgelegenheden (een grote zaal met muziek voor en van overleden mensen, en een kleinere, veel drukkere discozaal), talloze barzalen, foyerzalen, hoekjeszalen, terugtrekzalen, aftrekzalen, en heel, heel veel ludieke acties. Om moedeloos van te worden, zoveel ludieke acties de organisatie toch ieder jaar weer weet te bedenken. Haringkarren, poppenkasten, casinotafels, fotostudio’s, rolstoelraces, limbodansers, recensenten; alleen een goede pornoshow ontbreekt nog in het rijtje. En ieder jaar weer: verklede mensen. Verklede volwassen mensen. Straattheater. Dit jaar symboliseerden de verklede mensen het thema van de Boekenweek: reizen. (Ook al zo’n complot: de Boekenweek.) We stonden in de foyer te wachten tot de grote zaal open zou gaan en de elite zich zou mengen met het voetvolk, terwijl we ondertussen werden beziggehouden door een amateuristisch wauweltrio en tientallen schreeuwende, met koffers zeulende, bijbeunhazen de uitkeringstrekkers. Toneelspelers. Mensen die hopen intellectueel gevonden te worden door zo opzichtig mogelijk prolurken na te doen. Ik schaamde me. En helemaal voor de omstanders die deze onzin volgden, en elkaar zo nu en dan genietend aankeken. Genietend... Wat een rotwereld is dit toch...
Zo’n Boekenbal is mij al met al te Amsterdam, te interessant, te ingroep, te ons kent ons. Freanne raakten we al snel kwijt, en dat was maar goed ook want ik begon me aardig te ergeren aan haar geháái, gehoeïzzettermee, gedagschat, en het daarbij behorende gelebber en gebef.
Lees meer>





